Sociale partners verdeeld over regeringsplan om AOW-leeftijd te verhogen

Disclaimer: Voorliggende informatie is beschikbaar gemaakt als openbare dienstverlening; deze is noch door Europese Stichting tot Verbetering van de Levens- en Arbeidsomstandigheden bewerkt noch goedgekeurd. Voor de inhoud zijn alleen de auteurs verantwoordelijk.

De sociale partners hebben verdeeld gereageerd op de plannen van het kabinet om de AOW-leeftijd te verhogen naar 67 jaar. De vakbeweging is furieus; werkgeversvereniging VNO-NCW is positief. De plannen behelzen een verhoging in twee stappen. In 2020 gaat de AOW-leeftijd naar 66 en in 2025 naar 67 jaar. Dat geldt ook voor de leeftijd waarop bedrijfspensioenen worden uitbetaald. Werknemers die nu 55 jaar zijn, blijven buiten de bezuiniging. De kritiek is dat de financiële begrotingsproblemen van het kabinet op korte termijn niet worden opgelost en dat de voorgestelde regeling rigide en slecht uitvoerbaar is. De vakbeweging wijst erop dat lager betaalde werknemers met een zwaar beroep onrechtvaardig zwaar worden getroffen door de maatregelen. Werkgeversvertegenwoordigers zijn tevreden met de voorgestelde bezuiniging op de bedrijfspensioenpremies, maar beschouwen hun verantwoordelijkheid voor het einde van de loopbaan van werknemers met zware beroepen als bijna onuitvoerbaar.

In twee stappen gaat AOW-leeftijd naar 67 jaar

Het kabinet heeft half oktober bekend gemaakt dat de regeringspartijen een akkoord hebben bereikt over verhoging van de AOW-leeftijd. Hoewel niet was voorzien dat het kabinet in deze tijden van economische crisis dit hete hangijzer aan de orde zou stellen, is het nu een feit dat dit regeringsvoorstel voor de winter van 2009 wordt voorgelegd aan de Tweede Kamer. Eensgezind hebben de drie regeringspartijen het voorstel gedaan om de AOW leeftijd te verhogen, waarbij nu dus ook de PvdA voorstander is geworden. In twee stappen stijgt de AOW naar 67 jaar. In 2020 naar 66 en in 2025 naar 67 jaar. Dus wie in of na 1955 is geboren, gaat een jaar langer werken, en wie in of na 1960 is geboren zal 2 jaar langer werken. Werknemers die nu 55 jaar of ouder zijn, blijven buiten de plannen. Uitbetaling van de AOW wordt afhankelijk gemaakt van het totale arbeidzame leven, en dat is een nieuwe eis. Deze systematiek vraagt om decennia lange registratie, een registratie die nu nog onvoldoende bestaat.

Uitzonderingen op die leeftijd van 67 jaar worden in 2020 nog gemaakt voor werknemers die de voorgaande jaren aaneengesloten meer dan 15 jaar hebben gewerkt, In 2047 betreft die uitzondering 42 werkzame jaren waarbij het arbeidzame bestaan kan worden afgesloten op 65 jarige leeftijd. Hier gaat het dus om werknemers die op jonge leeftijd met weinig opleiding zijn gaan werken. Maar deze uitzondering wordt wel zwaar bestraft met een lagere uitkering (met een korting van 7 a 8%), wat juist bij lagere inkomens wordt gevoeld. Werkgevers worden in het plan verplicht hun personeel na 30 jaar zwaar werk een andere functie met lichter werk aan te bieden. Gebeurt dat niet, dan betalen werkgevers een boete. Op deze manier zouden deze werknemers alsnog op hun 65ste met pensioen kunnen. Om ook de leeftijd voor de aanvullende (zelf gespaarde) bedrijfspensioenen met twee jaar te doen stijgen, schuift het kabinet de aftrekbaarheid van pensioenpremies 2 jaar op. Met het geld dat zo wordt bespaard, kunnen pensioenfondsen hun buffers aanvullen. De reserves bij de pensioenfondsen zijn door de economische recessie flink geslonken.

SER heeft kans laten liggen

In maart 2009 verzocht het kabinet de Sociaal-Economische Raad, SER, om advies over de AOW-voorstellen. De deadline voor dat advies was 1 oktober. De vakbeweging – d.w.z. alle federaties - heeft aan het eind van de zomer contre coeur een alternatief plan gepresenteerd, omdat de SER niet tot een eensgezind advies kon komen. In het vakbondsvoorstel zou de AOW-leeftijd geleidelijk, samen met de levensverwachting, stijgen. Dit zou betekenen dat alle werknemers ieder jaar een maand langer door zouden moeten werken, te beginnen in 2015. Werknemers mogen het moment bepalen waarop ze met pensioen willen, tussen de 65 en 70 jaar, en de uitkering zou hoger worden naarmate werknemers langer werken. Hiermee hoopten de vakbonden hun leden mee te krijgen. De vakbeweging had nog aanvullende eisen rond het welvaartsvast worden van de AOW en stimulerend arbeidsmarktbeleid voor ouderen. Maar het gehele plan bleek niet meer relevant toen rond de bedrijfspensioenen de sociale partners lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan. Er kwam geen SER advies, zelfs geen verdeeld advies.

De werkgeversvertegenwoordigers kozen uiteindelijk de kant van het kabinet, want ze zijn meer geporteerd voor de kabinetsplannen. De voorstellen verruimen de arbeidsmarkt en dat stimuleert loonmatiging. Daar staat tegenover dat een akkoord in de SER arbeidsrust zou hebben gegeven, en dat is werkgevers ook veel waard. De werkgevers hadden in de SER willen afspreken dat de bedrijfspensioenen de AOW-verhoging zouden gaan volgen. Zo wilden zij voorkomen dat de vakbeweging de AOW schade van de kabinetsplannen weer zou gaan ‘repareren’ in cao-afspraken. Dat is een dynamiek die al eerder is opgetreden bij versobering van de sociale zekerheid. De vakbeweging heeft juist genoeg van die afbraak, en wilde in de SER de laatste kabinetsvoorstellen rond de AOW juist verzachten. Als de plannen van het kabinet onverkort worden doorgevoerd, is de kans groot dat de vakbeweging in de pensioenfondsen deze plannen gaat frustreren. Naast de werkgeversvertegenwoordigers, moeten immers ook de werknemersvertegenwoordigers in de pensioenfondsen instemmen met de wijzigingen.

Sociale partners verdeeld

De Federatie Nederlandse Vakbeweging, FNV, is furieus. In de ogen van de vakbeweging was de SER nog in overleg op het moment dat de regering openlijk aan dit voorstel begon te werken. Werkgeversvertegenwoordigers, bijvoorbeeld van VNO-NCW, verschenen toen niet meer op het SER-overleg. De vakbeweging houdt er daarom rekening mee dat het kabinetsvoorstel allereerst een verkapte lastenverlichting voor het bedrijfsleven is. Immers, bij de verhoging naar 67 jaar van de AOW-leeftijd, hoort eenzelfde verhoging van het bedrijfspensioen, eveneens naar 67 jaar. Dit betekent een geweldige lastenverlichting voor het bedrijfsleven, dat tweederde van dat bedrijfspensioen pensioen betaalt.

Wat werknemers aangaat heeft de FNV bijzondere zorg voor de werknemers met zogenoemde zware beroepen. In de regeringsplannen zouden deze werknemers op oudere leeftijd een lichtere functie moeten worden aangeboden door hun huidige werkgever. Kan de werkgever hieraan niet voldoen dan kan de werknemer op 65-jarige leeftijd stoppen met werken, maar zijn werkgever wordt hiervoor dan deels financieel aansprakelijk. Werkgevers hebben al aangegeven, onmogelijk aan deze eis te kunnen voldoen. Zo hebben transportbedrijven vooral chauffeurs in dienst, chauffeurs die niet zomaar op de schaarse administratieve functies zijn over te planten. Met name kleine bedrijven zullen met deze eis in de problemen komen. Principieel is de kwestie van een zwaar beroep. Over wat dat is, wordt veel discussie en onenigheid verwacht. De regeringspartijen willen daarom een kader scheppen en criteria ontwikkelen waarmee zware en lichte beroepen van elkaar kunnen worden onderscheiden. Hierover zouden de sociale partners dan nadere afspraken moeten maken. Omdat het onderscheid objectief zo moeilijk is te maken, wordt eraan gedacht de cijfers over arbeidsongeschiktheid mee te laten wegen. Hierbij wordt gedacht aan beroepen als dat van stratenmaker, waarin werknemers nooit werkend de 65 jaar halen. De FNV heeft er een hard hoofd in dat het onderscheid überhaupt objectief vast te stellen zal zijn. De sociale partners hebben in het kader van het ARBO-overleg al laten zien dat zij totaal andere opvattingen koesteren over wat een zwaar beroep is.

Maatschappelijk, zo vreest de vakbeweging bovendien, gaat er mogelijk nog een geheel ander probleem spelen: werkgevers zullen proberen oudere werknemers uit het bedrijf te werken voordat de kwestie van overplaatsing naar een lichtere functie aan de orde is. En het is bekend dat een werkzoekende oudere van 55 jaar of ouder ongeveer 2% kans heeft op een andere baan op de Nederlandse arbeidsmarkt. Werkgevers koesteren nog steeds vooroordelen tegen oudere werknemers, die vaker ziek zouden zijn en als minder productief dan jongere werknemers worden beschouwd. Bovendien zijn oudere werknemers duurder. In feite zou het kabinet eerst iets aan de arbeidsmarktkansen van oudere werknemers moeten doen, voordat de AOW-leeftijd wordt verhoogd. Het aantal oudere werklozen gaat nu zeker stijgen. Ook het kabinet is doordrongen van dit gevaar. Via financiële en fiscale prikkels wil de regering het aantal werkende ouderen vergroten. Daarnaast worden oudere werklozen ontzien. Wanneer een werknemer op 65-jarige leeftijd in de bijstand terecht komt, dan kan de werknemer gebruik maken van een aparte regeling, die uitkeert op het niveau van de AOW. De werknemer wordt dan ook vrijgesteld van de vermogenstoets en hoeft niet eerst het eigen spaargeld aan te spreken en het eigen huis ‘op te eten’, zoals dat regel is in de bijstand.

Commentaar

Het kabinet heeft een voorstel gedaan tot verhoging van de AOW-leeftijd, een kwestie die maatschappelijk zeer gevoelig ligt, in een tijd van economische recessie. Juist dan is consensus tussen kabinet en sociale partners van groot belang. De gehele wetgevingsoperatie en de implementatie echter zullen veel conflictstof opleveren, waarbij het de vraag is of het voorstel die onenigheid waard is. De uitvoerbaarheid, met name rond het aantal gewerkte jaren, staat ernstig ter discussie. Het kabinet beoogt bezuinigingen en verruiming van de arbeidsmarkt, maar op beide punten scoort het voorstel laag. De bezuinigingen gaan pas over tien jaar in, omdat de generatie van 55-plus uit de wind wordt gehouden. Fiscalisering van AOW en bedrijfspensioenen had direct financieel gewin opgeleverd, zonder dat er was gediscrimineerd naar jongere werknemers. Ook de beoogde verruiming van de arbeidsmarkt staat in het voorstel zwaar onder druk, omdat er rond zware beroepen onuitvoerbare eisen worden gesteld. Werkgevers stellen nu al dat deze eis onuitvoerbaar is, terwijl werknemers (met de laagste inkomens) hiervan de dupe zullen worden. Hierdoor zal participatie op de arbeidsmarkt boven de 60 jaar eerder afnemen dan toenemen. Het belangrijkste verschil in de AOW-kwestie is die tussen mensen met lage inkomens, weinig scholing en een zwakke positie op de arbeidsmarkt en hoog opgeleide werknemers met prettige werkomstandigheden en veel keuzemogelijkheden. Het is een gemiste kans dat het kabinet de oplossing niet heeft gezocht in voorstellen voor een meer flexibelere AOW en een fiscalisering van de AOW, waardoor problemen van vergrijzing en ontgroening voorlopig een minder omstreden antwoord hadden gekregen.

Marianne Grünell, University of Amsterdam, HSI

Useful? Interesting? Tell us what you think. Hide comments

Eurofound welcomes feedback and updates on this regulation

Reactie toevoegen